Luister naar deze pagina met proReader

Verbinden als sociaal dilemma

Sociale verbindingen zijn de kern van elke samenleving. Mensen hebben een sterke neiging zich te sociaal te gedragen en het gezamenlijke belang zwaar te laten wegen. Het is met name angst om ‘uitgebuit’ te worden die er toe leidt dat mensen hun eigen belang voorop stellen. Politici en journalisten zouden deze angst niet moeten aanwakkeren, meent hoogleraar psychologie Carsten de Dreu.

Door Carsten de Dreu

Mensen met geen of weinig verbindingen zijn ongelukkiger, ongezonder en gaan eerder dood dan mensen met veel verbindingen. Sociale verbindingen helpen bedreigingen het hoofd te bieden, complexe problemen op te lossen, versterken het immuunsysteem en versnellen herstel van ziekte. Sociale verbindingen zijn zelfs noodzakelijk (doch niet voldoende) voor de voortplanting—sociale verbindingen zijn van levensbelang. Als zodanig zijn sociale verbindingen een onlosmakelijk onderdeel van de mens en de menselijke natuur. Sociale verbindingen zijn echter niet alleen nuttig en soms noodzakelijk. Ze liggen ook ten grondslag aan onderlinge ergernissen, conflicten, antipathie, wantrouwen en vreemdelingenhaat. Zonder sociale verbindingen zijn er geen oorlogen en terreuraanslagen.

Deze paradox van sociale verbindingen vormt de kern van dit essay. Om te beginnen zal ik de paradox duiden door de structuur van sociale verbindingen te beschrijven – of het nu gaat over een handje vol mensen, of over een grote en complexe samenleving als de onze, sociale verbindingen zijn goed te beschrijven als een sociaal dilemma waarin mensen voordeel hebben bij coöperatief, op anderen gericht gedrag zowel als bij non-coöperatief, op de eigen belangen gericht gedrag. Dit gegeven roept de vraag op of, en waarom, mensen vooral geneigd zijn voor het eigen belang te kiezen. Die vraag staat centraal in het tweede deel van dit essay. In het derde en afsluitende deel sta ik kort stil bij enkele beleidsimplicaties – wat zouden politici en beleidsmakers kunnen doen om ervoor te zorgen dat een samenleving optimaal profiteert van de kansen die sociale verbindingen bieden en tegelijkertijd de mogelijk nadelige effecten minimaliseert.

Het sociaal dilemma

In 1960 beschreef de latere Nobelprijswinnaar Thomas Schelling dat veruit de meeste sociale relaties tussen mensen te beschrijven zijn in termen van een continue spanning tussen coöperatieve en competitieve elementen. Twee tennisspelers willen elk van elkaar winnen, doch tegelijkertijd houden ze zich aan gezamenlijk afgesproken regels om te voorkomen dat de tegenstander wegloopt. Twee onderhandelaars spelen op het scherpst van de snede, doch zolang er geen beter alternatief bestaat voor wat de huidige tegenpartij te bieden heeft zullen beide proberen te voorkomen dat de tegenpartij het bijltje erbij neergooit. De leiders van naburige landen zullen elk proberen de ander een gezamenlijke rivier te laten uitbaggeren, doch tegelijkertijd gemotiveerd zijn samen te werken als daardoor de eigen haven uiteindelijk toch bereikbaar wordt.

Deze basale spanning tussen competitie en coöperatie geldt niet alleen voor de sociale verbindingen tussen twee individuen. Ook de relaties binnen een groep, hoe klein of groot dan ook, kent een deze spanning. In de psychologische wetenschap wordt dit een sociaal dilemma genoemd. Een sociaal dilemma betreft elke sociale structuur, zoals een groep, arbeidsorganisatie of samenleving, die aan de volgende twee kenmerken voldoet: 1) wanneer geldt dat, ongeacht wat anderen doen, elk individu het beste af is door niet in het collectief te investeren, door niet bij te dragen en door veel te nemen; en 2) wanneer geldt dat iedereen slechter af is wanneer niemand investeert, bijdraagt, of juist uitbundig loopt te graaien, dan wanneer iedereen een bijdrage had gedaan of wat minder had lopen graaien. Dus, bijvoorbeeld, elke visser is beter af door grote netten uit te hangen dan door zich te matigen – maar als iedere visser zich zo gedraagt, ontstaat overbevissing en is iedere visser uiteindelijk slechter af dan wanneer iedereen zich had ingehouden. Of neem een buurtgemeenschap. Ongeacht wat andere buren doen, is elk lid van een gemeenschap beter af door de ramen te sluiten en niet bij te dragen aan gezamenlijke voorzieningen, een schone omgeving en plezierige scholen – maar als iedereen zich zo gedraagt, verloedert de buurt, verrommelt de omgeving en worden de scholen naargeestige broedplaatsen van terreur. En als laatste voorbeeld, voor iedereen geldt dat, ongeacht wat anderen doen, belasting ontduiken meer oplevert dan netjes alle bijverdiensten opgeven. Mocht iedereen hiervoor kiezen dan geldt wederom dat het collectief minder inkomsten heeft, minder kan uitgeven aan gezamenlijke voorzieningen en iedereen dus slechter af is dan wanneer iedereen een fatsoenlijke bijdrage had geleverd.

Het gezamenlijk belang

Dat sociale verbindingen tussen mensen vaak de kenmerken van een sociaal dilemma hebben roept een aantal vragen op. Allereerst kun je de vraag stellen of mensen dan überhaupt wel geneigd zijn om bij te dragen, een investering in het gezamenlijk belang te doen, of zich in te houden in plaats van te gaan graaien. Het antwoord op deze vraag is tamelijk eenvoudig: Ja. Uit een grote hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek in zowel laboratoriumsituaties als in praktijksettings is telkens weer gebleken dat mensen een sterke neiging hebben zich coöperatief op te stellen en in hun gedrag de gezamenlijke belangen zwaar laten wegen. Dergelijke opoffering van het korte termijn eigenbelang voor het gezamenlijk belang is deels welbegrepen eigenbelang (we hebben de groep nodig om te overleven), deels een gevolg van onze moraalethische achtergrond en opvoeding, en deels een gevolg van oprechte belangstelling voor anderen (je gunt anderen gewoon het beste).

Een tweede vraag die je kunt stellen is waarom mensen ervoor kiezen zich niet coöperatief op te stellen – waarom kiezen mensen in het eigenbelang als toch zo duidelijk is dat daarmee het collectief het loodje legt; er op de lange termijn geen vis meer in de zee zwemt, de buurt verloedert en collectieve voorzieningen als ziekenhuizen en een Koningshuis niet meer te financieren zijn? Met Darwin’s The Origin of the Species in de hand, of terugvallend op de onder economen zo populaire rationele keuzetheorie, poneren veel wetenschappers, politici en beleidsmakers dat menselijk gedrag eerst en vooral gestuurd wordt door overwegingen van eigenbelang. Mensen, zo wordt gedacht, zijn van nature hebzuchtig en denken eerst en vooral aan zichzelf—de visser denkt te profiteren van het feit dat zijn collega’s zich wel inhouden en de vangstbeperkingen naleven; de buurvrouw die denkt dat haar kinderen in een door anderen opgeruimd park kunnen spelen; de freelancer die denkt dat anderen wel belasting betalen en het zelf dus niet doet.

Dit antwoord is maar in zeer beperkte zin correct. Een lange traditie van sociaalpsychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat hooguit 15% van de bevolking vanuit hebzuchtige overwegingen voor het eigenbelang kiest—de resterende 85% is maar in beperkte mate gemotiveerd door hebzucht. Helaas wil dat niet zeggen dat deze overgrote meerderheid zich consequent coöperatief zal opstellen. In tegendeel, mensen besluiten vaak niet bij te dragen, niet te investeren en daar waar mogelijk een greep in de kas te doen. Ze doen dit echter niet uit (weloverwogen) hebzucht maar uit angst. Angst om achterop te raken, angst om voor watje versleten te worden, angst om degene te zijn die voor anderen de kastanjes uit het vuur haalt.

Angst komt voort uit het feit dat in een sociaal dilemma de eigen investering in, of bijdrage aan een gezamenlijk project niet alleen de investeerders ten goede komt, maar ook de niet-investeerders – de visser loopt het risico dat hij als enige de vangstbeperking naleeft terwijl zijn collega’s de zee leegvissen; de moeder heeft geen zin als enige ’s avonds de schoollokalen te dweilen, terwijl de overige ouders thuis voor de open haard ‘Boer Zoekt Vrouw’ kijken, de freelancer voelt geen behoefte als enige zijn belastingformulieren waarheidsgetrouw in te vullen. In al deze gevallen is niet zozeer hebzucht, als wel de angst door anderen ‘uitgebuit’ te worden de reden om niet voor het gezamenlijk belang te kiezen maar, het zekere voor het onzekere nemend, te kiezen voor de eigen belangen.

Angst en hebzucht

Hoewel zowel hebzucht als angst een rol spelen in de keuze voor het eigen belang en coöperatief, op gezamenlijkheid gericht gedrag ondermijnen, is er een belangrijk verschil tussen beide motieven. Hebzucht is inherent aan een door het individu gemaakte analyse van de situatie—kan ik profiteren van anderen, wil ik dat en kom ik ermee weg? Individuele hebzucht is dus ofwel een gevolg van een beperkt begrip van de lange termijn gevolgen van collectieve hebzucht, ofwel van een specifieke moraalethische opvatting. Hebzucht kan dan ook tamelijk effectief worden beteugeld door middel van (morele) sancties en het blijkt uit onderzoek dat mensen liever toetreden tot sociale systemen waar hebzuchtig gedrag institutioneel bestraft wordt, dan waarin zo’n sanctiesysteem afwezig is.

Angst is een direct gevolg van een door het individu gemaakte analyse van de kwaliteit van de sociale verbindingen waaruit het sociaal dilemma bestaat—kan ik erop vertrouwen dat anderen ook een bijdrage te leveren, investeren en niet gaan graaien? Veel meer dan hebzucht is angst een gevolg van specifieke informatie over anderen–wat weet de visser over zijn collega’s, wat weet de klassenmoeder over andere buurtgenoten, wat weet de freelancer over de gemiddelde belastingbetaler? Zelden is de informatie die we hebben accuraat en volledig en dit geldt vooral in complexe situaties waar veel mensen bij betrokken zijn en rechtstreekse ervaring met het gedrag van anderen moeilijk, zo niet onmogelijk is. De visser kan moeilijk bijhouden hoe zijn collega’s het doen, de moeder kan moeilijk inschatten wat andere ouders doen en zelfs de belastingdienst weet niet precies wie er nu wel en niet fraudeert.

Meestal moeten mensen afgaan op hun eigen indrukken en op wat anderen hen vertellen. En precies daar zit 'm de kneep. Want door de eeuwen heen hebben we geleerd eerst dreiging te traceren en te neutraliseren alvorens ons aan allerhande plezierige bezigheden over te geven. En dus zijn we geneigd te denken dat onze gesprekspartner, onze buurman, of de gemiddelde belastingbetaler vooral opereert vanuit zelfzuchtige motieven. Deze evolutionair verankerde neiging heeft tot gevolg dat we onze medemens vaak tekort doen, in die zin dat die medemens veel minder vaak vanuit zelfzuchtige overwegingen handelt dan we geneigd zijn te denken. We overschatten schromelijk de mate van zelfzuchtig gemotiveerd gedrag. Tegelijk onderschatten we de mate van prosociaal gemotiveerd gedrag. De oorzaak van dit laatste is vooral cultureel van aard. Zo bleek uit onderzoek in zowel de Verenigde Staten als Nederland dat mensen vaak hun eigen prosociaal gemotiveerde gedrag uitleggen als ingegeven door, en goed voor, het eigenbelang. We doen vrijwilligerswerk ‘omdat je dan tenminste weer onder de mensen komt’, we doneren geld ‘omdat je het zo rottig vindt om nee te zeggen’. We doen dit vaker dan nodig en terecht is, wellicht omdat we bang zijn voor ‘slapjanus’ versleten te worden. We doen vaak prosociaal gedrag af als ingegeven door eigenbelang. Daarmee doen wij onszelf, onze medeburgers én de samenleving als geheel onrecht. Ernstiger is dat we bang worden, angstig dat anderen ons de kaas van het brood eten en dat de enige manier om dat te voorkomen is door zelf te kiezen voor het korte termijn eigenbelang, en juist niet bij te dragen aan het collectief, te investeren in anderen en in de samenleving als geheel. Immers, ‘anderen doen dat toch ook niet, en waarom zou ik dan…’

De angst voorbij

De angst om voor Gekke Henkie versleten te worden is het zand in de motor van sterke, kwalitatief goede sociale verbindingen waarlangs mensen investeren in een goed functionerend sociaal systeem. Angst is van alle tijden en heeft sterke evolutionair bepaalde ankers. Enige angst is functioneel—een gewaarschuwd mens telt voor twee. Veel angst is disfunctioneel—het ondergraaft de natuurlijke neiging om in de eigen gemeenschap, arbeidsorganisatie, of samenleving te investeren.

Sociale verbindingen zijn de kern van elke samenleving en mensen hebben een breed repertoire aan middelen om sociale verbindingen tot stand te brengen, te reguleren, te onderhouden en te versterken. Natuurlijk stellen sociale verbindingen ons ook in staat anderen vanuit hebzuchtige motieven uit te buiten, te profiteren van de naïviteit van anderen en op slinkse wijze ons voordeel te doen met de coöperatieve houding van buren, collega’s en landgenoten. Het echte probleem ontstaat wanneer we bang worden (gemaakt) voor dit soort zelfzuchtig gedrag van anderen, wanneer beleidsmakers, politici en journalisten de indruk wekken dat mensen niets anders zijn dan zelfzuchtige, op het eigen belang gerichte wezens die niets liever doen dan te profiteren van andermans investeringen en bijdragen. Want zodra die angst binnensluipt, worden we minder geneigd een bijdrage te leveren aan onze buurt, onze arbeidsorganisatie, of onze samenleving als geheel. Daarmee bevestigen we niet alleen de bange vermoedens van onze buren en collega’s, van journalisten, beleidsmakers en van politici. We ondergraven de werkelijke effectiviteit van sociale verbindingen op lokaal zowel als landelijk niveau.

Carsten K.W. De Dreu is Hoogleraar Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en president van de European Association for Social Psychology .

Dit artikel is verschenen in Idee, 31, 2: p. 10-13.

 


mail deze pagina naar een vriendprint pagina